| Algemene adviezen bij de hulpverlening
Verschil tussen huisdieren en dieren uit de natuur in hulpsituaties Wanneer een dier geholpen moet worden zal u dat dier op de een of andere manier moeten benaderen, hanteren en eventueel vervoeren. Hierbij is het belangrijk stil te staan bij het verschil in gedrag tussen huisdieren en in het wild levende dieren in hun houding tegenover mensen.
Dit betekent dat:
Het gebeurt regelmatig dat iemand in zo'n situatie door zijn eigen hond of kat gebeten wordt. Wees alstublieft voorzichtig! Omgang met dieren in nood benaderen, hanteren en omgang met dieren in nood
uw eigen hond of kat in nood
het in bedwang houden van een gewond dier Het in bedwang houden van een noodlijdend dier is heel belangrijk om uzelf te beschermen en nog belangrijker voor het dier zelf zodat de verwondingen niet verergeren. Ook moet u voorkomen dat het dier wegvlucht. Vaak is een onhandelbaar dier in bedwang te houden, door er een doek of een deken overheen te gooien. Een dier kan in een deken gewikkeld naar een dierenarts vervoerd worden, eventueel met deken in een kooi. Voor bijna alle dieren (zoogdieren en vogels) werkt het verduisteren bovendien rustgevend. Het plaatsen van een gewond dier in een doos heeft het zelfde rustgevende effect. Eventueel kan een doos over het gewonde dier worden heengezet. Op deze manier kan bijvoorbeeld een vogel, die tegen een raam gevlogen is en versuft op de grond zit, tijdelijk tegen gevaar van buitenaf beschermd worden, zonder dat u het dier hoeft aan te raken. Muilkorf In principe zou u gewonde honden altijd een muilkorf om moeten doen, voordat u ze gaat vervoeren. Zelfs de meest betrouwbare hond kan van zich af bijten, als hij tijdens het hanteren pijn ondervindt. Zeker bij ongelukken, waardoor het dier angstig is, is zo'n muilkorf vaak nodig. Probeer te voorkomen dat u tijdens het omdoen van de muilkorf gebeten wordt; doe het voorzichtig, maar niet te aarzelend. Omdat u natuurlijk niet altijd zo'n muilkorf bij de hand heeft kan in noodgevallen een ‘snuitbandje' van bijvoorbeeld een reep textiel gebruikt (zie hieronder). Wanneer u het snuitbandje achter de oren vastknoopt met een strik, kan deze weer snel verwijderd worden. gevaren voor de hulpverlener Honden, katten, vossen, eekhoorns, e.d. kunnen bijten (dassen ook en heel hard), katten en meerkoeten kunnen krabben, reeën, zwanen, paarden kunnen u een flinke trap verkopen, reigers, futen en roerdompen kunnen met hun snavel uithalen naar u ogen: Veel waardering voor uw hulp hoeft u niet te verwachten.. Als u zich van deze gevaren bewust bent en voorzichtig tewerk gaat, valt het allemaal wel een beetje mee. Als u zich echter niet zeker voelt is het in uw eigen belang en dat van het dier beter de hulp verlening over te laten aan deskundigen. zoönosen Bij het contact met dieren kunt u naast fysiek geweld te maken krijgen met het oplopen van een van dier op mens overdraagbare ziekte (zoönose). Deze kans is niet erg groot en met een beetje oplettendheid is dat risico vrijwel uit te sluiten. Zoönosen zijn infectieziekten die van het dier op de mens (en omgekeerd) kunnen overgaan, met al dan niet dezelfde symptomen. Ziektes kunnen overgebracht worden door
Aanbevelingen om besmetting te voorkomen
Rabës (hondsdolheid) Rabiës of hondsdolheid is een infectieziekte die veroorzaakt wordt door het rabiesvirus en wordt vooral in verband gebracht met vossen en vleermuizen. In theorie kan het virus overgebracht worden door elk vleesetend zoogdier. Hoewel de kans op besmetting in Nederland bijzonder klein is, is het van belang elk risico uit te sluiten, omdat een mogelijke besmetting dodelijk kan zijn. Vossen Rabies wordt in Nederland bij vossen sinds ongeveer 1990 niet meer inheems geacht, zodat de kans rabies op te lopen door een vos uiterst klein is. In Nederland is rabies bij vossen het laatst in 1987 in Zuid-Limburg geconstateerd. Sindsdien worden er jaarlijks honderden vossen afkomstig uit alle windstreken door het CDI onderzocht. Daarbij is sindsdien geen enkel geval van rabies meer aangetoond. Dat komt omdat sinds een aantal jaren de wilde vossen immuun gemaakt worden door het uitleggen van speciaal aas met een vaccin ('orale vaccinatie'). Ook in Duitsland en België wordt de laatste jaren veel gedaan aan orale vaccinatie zodat ook in de grensgebieden de kans op rabies zeer klein is. Vleermuizen Bij het hanteren van vleermuizen moet rekening gehouden worden met de (kleine) kans op rabiësbesmetting. Uit onderzoek is gebleken dat in Nederland ongeveer 22% van de laatvliegers en 5% van de meervleermuizen besmet is met rabies. Bij de meest voorkomende soort, de dwergvleermuis, is nog nooit besmetting aangetoond, en ook bij alle andere soorten werd geen hondsdolheid geconstateerd. Vermijd elke directe aanraking met vleermuizen. Dit geldt ook voor dode vleermuizen ook na bewaring in ijskast of diepvries (virus kan 2 weken tot enkele maanden -beneden het vriespunt- gevaarlijk blijven). Het rabiësvirus kan, behalve door een beet, ook door virushoudend speeksel of urine via kleine huidwondjes of slijmvliezen (ogen) bij de mens binnendringen. Verschijnselen bij besmetting van mensen met rabiës Het kan 2 weken tot 1 jaar duren, voordat de eerste ziekteverschijnselen optreden. Vanaf de infectieplaats verspreidt het virus zich via zenuwbanen naar de hersenen en tast deze aan. Na een griepachtig ziektebeeld van enkele dagen ontstaat achtereenvolgens pijn in de eerst-aangetaste zenuw, slikangst, pijnlijke krampen in de slikspieren en verlammingen. Nadat deze ziekteverschijnselen zijn opgetreden, leidt besmetting in alle gevallen tot de dood. Indien er wel contact met een vleermuis heeft plaats gehad: In de volgende situaties is het verstandig een vleermuis op te laten sturen om hem op rabiës te laten onderzoeken:
Voor advies in dit soort situaties kunt u contact opnemen met de Regionale Veterinaire Inspectie (Veterinaire Inspectie Gelderland/Utrecht/Flevoland tel: 026 - 3528270) Voor het ophalen en laten verzenden van zo'n vleermuis kunt u de DAN inschakelen. Tetanus Bij een beet van of krab van honden, katten, vleermuizen, eekhoorns enz. bestaat de mogelijkheid van besmetting met de tetanus-bacterie. Binnen enkele dagen tot een maand na de besmetting kunnen ziekte-verschijnselen optreden die lijken op die van hondsdolheid. Na griepachtige klachten ontstaat stijfheid in het gebied van de verwonding. Hierna kunnen stijfheid en krampen over het hele lichaam onstaan. Kenmerkend is het optreden van kaakkramp. Tetanus kan een dodelijke afloop hebben. Het is dus verstandig u na zo'n beet of krab in verbinding te stellen met uw huisarts of de EHBO van een ziekenhuis. Naast een tetanus-injectie is een anti-biotica behandeling soms aan te bevelen. Vossenlintworm (Echinococcus multilocularis) In 1996 is in Nederland een onderzoek gestart naar het voorkomen van de vossenlintworm, Echinococcus multilocularis, in Nederland. Eind ‘97 zijn de resutaten bekend geworden. Er zijn 5 gevallen van een besmetting bij vossen aangetoond, en wel in Groningen en Z-Limburg. In de ons omringende landen is al eerder onderzoek gedaan; zo bleek in Duitsland ongeveer 20% van de vossen besmet. Deze lintworm, die voor de vos nauwelijks overlast veroorzaakt, kan voor de mens fataal zijn. Bij direct contact met vossen bestaat een kleine kans op besmetting met de vossenlintworm. Omdat dit in het ernstigste geval fatale gevolgen kan hebben, is het verstandig elk risico uit te sluiten: Om kans op besmetting uit te sluiten moet u bij het direct contact met dode dan wel levende vossen vermijden. Wanneer u wel een vos heeft aangeraakt, moet u voordat u iets in uw mond doet uw handen goed wassen Levenscyclus van de lintworm De lintworm (2 tot 6 mm) leeft in het darmkanaal van de vos (zou ook kat of hond kunnen zijn; bij marterachtigen is de parasiet nog nooit gevonden). Eieren van de lintworm komen via de uitwerpselen in het milieu terecht. In de meest voorkomende levens-cyclus van de lintworm wordt zo'n ei door knaagdieren (secondaire gastheer) zoals de veldmuis via de mond opgenomen. In de eieren bevindt zich een soort larve (blaasworm), die zich door de darmwand van het knaagdier boort. Via de bloedbaan bereiken de larven longen, lever en andere organen. Ze nestelen zich in deze organen, meestal de lever, en door celdeling ontstaat een tumor-achtig, wijdvertakt buisjes-achtig cyste-systeem. In deze zeer dunne cysten (0,01 mm) worden de broedkapsels gevormd, waarin zich het volgende tussenstadium ontwikkelt. Als de vos een besmette muis opeet, komen deze tussenstadia in de maag en darm van de vos vrij, verankeren zich in de darmwand en groeien uit tot volwassen wormen. Zo is de levenscyclus van de parasiet weer gesloten. Besmetting van de mens Ook de mens kan als secondaire gastheer optreden, als hij via de mond eitjes van de lintworm binnenkrijgt. De mens geldt echter als een slechte tussengastheer (broedkapsels blijken in de menselijke lever vaak steriel, waardoor de vorming van het volgende stadium uitblijft), en de kansen op besmetting zijn zeer gering. Als de ontwikkeling van de cysten wel verder gaat, kan de lever (bij mensen wordt vrijwel uitsluitend de lever aangetast) door het steeds uitbreidende cystesysteem uiteindelijk ten gronde gaan, met fatale gevolgen. Geïnfecteerde delen kunnen operatief verwijderd worden, hoewel het moeilijk is alles te verwijderen. Met medicijnen (mebendazol) kan de uitbreidingssnelheid van de parasiet worden afgeremd. De incubatieperiode is 10 tot 15 jaar. Besmettingmogelijkheden Onderzoekingen in Zwitserland hebben aangetoond dat per jaar 0,18 mensen per 100.000 geïnfecteerd raken. Een verhoogd risico lopen mensen die in de landbouw werken (4 x zo hoog), jagers, bosbessenplukkers enz. Ook mensen van de dierenambulance lopen een verhoogd risico. Een besmette vos kan eitjes op zijn vacht hebben, de uitwerpselen bij overreden vossen kunnen eitjes bevatten en ook de grond bij een vossehol kan besmet zijn. Bij het hanteren van dergelijke vossen kunnen eitjes uiteindelijk via de mond worden opgenomen. In de omgeving van Nijmegen is tijdens een recent onderzoek geen besmetting bij vossen aangetoont. Toch is voorzichtigheid op zijn plaats. Het is tenslotte maar een kleine moeite. Mocht er toch iets mis zijn gegaan, dan is d.m.v. bloedonderzoek vast te stellen of u al dan niet besmet bent. Daarvoor wordt een bloedmonster afgenomen, dat bij het RIVM onderzocht wordt. In dat eerste bloedmonster kan nog geen besmetting worden aangetoond, maar wel een zgn. 'achtergrondruis worden bepaald. Dit wordt na een jaar vergeleken met een tweede bloedmonster. Een mogelijke besmetting kan dan door de aanwezigheid van antistoffen worden aangetoond . Ook kan faecesonderzoek (ontlasting) van des betreffende vos duidelijkheid geven over een mogelijke besmetting. |